Mijn familie en ik, ik en mijn familie | (2011 – 2013)

Ik tekende mijn vader levensgroot na vanaf een foto. Twee maanden lang nam ik die ene foto, uitvergroot op mijn beeldscherm, onder de loep. Ik ontdekte kanten van hem die ik niet eerder had gezien: zijn neus is best groot, hij heeft dunne lippen, flinke oren en handen als kolenschoppen. Ook ontdekte ik dat mijn blik op hem van dag tot dag kon verschillen. Zag ik de ene keer droevige ogen op het beeldscherm verschijnen, een andere keer was dat angst. De dagen erop werden ze vriendelijk en zacht. Soms meende ik een glimlach op mijn vaders gezicht te ontwaren. Een dag erna verdween die echter en leek hij eerder somber. De somberte hield een tijdje aan, zijn mondhoeken bleven naar beneden hangen, maar een paar dagen later kropen ze weer omhoog. Zo ging het maar door. Keek ik naar zijn lichaam dan was het alsof hij bijna inéén stortte. De kracht in zijn benen begaf het, bezweek onder het gewicht van zorgen en plichten. Een dag later was daar niets meer van over, fier overeind stond hij. Toen de tekening af was, bleef mijn wisselende blik op mijn vader bestaan. Soms zie ik angst en spanning, soms moed en ontspanning. Ik zie mijn vader als een man die netjes in het gareel loopt, maar daar ook vanaf kan wijken.

Mijn vader (192 x 93 cm), ik (192 x 93 cm), mijn moeder (175.5 x 94 cm), pastelpotlood op papier.

Foto: expositie ‘Ladywall’, Galerie Diana Lepelaar, Leiden en van Diderot13D in Amsterdam.