24.03.2025
Bij binnenkomst treedt de muffe geur me al tegemoet. Het is een geur die nog lang in de winkel zal blijven rondhangen. Het hoort bij de man met de snor zoals walrussen die hebben: grof borstelig en ver over zijn bovenlip hangend. De man met de snor neemt weinig ruimte in. Schuifelend op zijn benen en voorzichtig rondkijkend loopt hij verder de winkel in. Zijn rug kromt zich een beetje.
Hij draagt een grijs sportief dun jackje met een zilveren rits die tot aan zijn nek dicht zit. Daaronder een lichtblauwe spijkerbroek en grijze suède gympen met gele strepen aan zijn voeten. De gympen hebben hun beste tijd gehad. Het leer ervan is versleten en dun geworden. De afdruk van zijn voeten is erin zichtbaar.
De man met de snor kijkt eerst bij de uitverkoop maar kiest uiteindelijk weer voor dezelfde gympen die zonder korting zijn. Dit keer in de kleur blauw met witte strepen. Hij noemt de maat en als ik met het nieuwe paar aan kom lopen neemt hij plaats op een stoel. Bij het uittrekken van zijn oude gympen, waarbij ik hem help, komt er vuil mee. Onbestemde samengeklonterde stukjes papier met stof vallen op de grond.
Als hij zijn oude gympen naast zich neerzet zie ik de binnenkant ervan. Die is niet best. De achterkant is helemaal verbogen en uitgerekt. Al die tijd moet hij met zijn hielen over de rand hebben gelopen. De maat is niet goed. Ik attendeer hem erop, maar nee, hij wil geen grotere maat. Hij vindt het prima zo. Risico’s neemt hij liever niet. Vanuit zijn stoel kijkt hij naar zijn nieuwe gympen. De kleur bevalt hem.
‘Het moest niet gaan regenen zoals laatst toen ik in Spanje was,’ zegt hij met een zachte stem. Tijdens een storm hielden zijn schoenen het niet en raakten doorweekt. Terwijl hij spreekt richt hij traag zijn hoofd op. Felblauwe ogen die uitpuilen staren me aan. Rauw en verwilderd is zijn blik. Als een bliksemschicht word ik erdoor getroffen. Snel kijk ik weg en richt me weer op zijn gympen. Hij houdt ze gelijk maar aan. De oude kan ik in de doos doen.
We lopen naar de kassa. Bij het afrekenen kijk ik naar zijn handen. Hij heeft slanke vingers waarvan de nagels iets te lang en geel van kleur zijn. Dan overhandig ik hem de tas waarin zijn oude gympen zitten en loopt hij richting de deur. Nu krijg ik de achterkant van zijn lichaam te zien. De grijze dunne jack met daaronder zijn spijkerbroek die slobbert rond zijn kont. Aan zijn voeten prijken zijn nieuwe gympen. Het is alsof ze hem energie hebben gegeven want kordaat stapt hij naar buiten, de wereld tegemoet, de muffe geur met zich meenemend.