Sinds 2019 werk ik in een schoenenzaak waar bijzondere klanten komen. Regelmatig noteer ik hoe het contact met hen verloopt. Hieronder volgt een kleine selectie.

 

NOTITIES VAN EEN SCHOENVERKOOPSTER

Het is in de ochtend als een oudere nog jeugdig uitziende man strompelend komt aanlopen. Hijgend en puffend zoekt hij steun bij het kassablok. Nog voor ik iets kan zeggen, begint hij al te praten. Met een hoge, ietwat meelijwekkende stem vertelt hij me een onduidelijk verhaal over een gebeurtenis waar ik middenin val. Hij had de verkeerde tram genomen, moest toen met de bus terug. Het leek alsof hij verdwaald was. ‘Moet u hier zijn?’ Ja, dit was uiteindelijk zijn bestemming. Met behulp van een stok loopt hij waggelend verder de winkel in. ‘Wat voor schoenen had u gewild?’ vraag ik. Ik kijk naar zijn brede voeten gehuld in versleten schoenen. Hij wijst een paar Bordeauxrode leren schoenen aan. ‘Die lijken me wel geschikt’, zegt hij. ‘Met een punt graag. Geen ronde neuzen.’ Als ik met de schoenen terugkom, neemt de oude man plaats op de bank, ziet dan een vlek op zijn broek en wrijft hem met een beetje spuug weg. Mijn oog valt ook op de vlek. Ik zie er meer. Hij zit helemaal onder. Terwijl hij blijft praten, steeds met die meelijwekkende stem, help ik hem in de nieuwe schoenen. Hij houdt ze gelijk maar aan. Zijn oude schoenen kon de schoenmaker niet meer repareren. Ik pak ze op en zie gaten in zijn zolen zitten. Ook de achterkant voor de steun van zijn hielen is helemaal verbogen. We lopen naar de kassa. Bij het afrekenen doe ik de oude schoenen in de doos van de nieuwe, dan kan hij er thuis afscheid van nemen.

*

Ze zit met één been uitgestrekt op de hoek van de bank. Ze keurt de bruine suède instapper met een lage hak aan haar voet. Een andere bruine instapper met een hogere hak houdt ze in haar hand. Daarna staat ze op en loopt naar het licht bij de ramen om de kleur van de schoenen beter te bekijken. Ze vraagt me of ze allebei echt bruin zijn. ‘Of is deze schoen aan mijn voet paars?’ De oude dame rond de zeventig ziet er netjes en verzorgd uit. Een fijn gezicht, dunne huid, kleine slanke handen. Ze heeft rode lippenstift op. Haar haar is in een bescheiden kleurtje geverfd. Het is door de wind wat opzij geschoven. Door de weinige haren die er nog zitten zie ik haar hoofdhuid er doorheen schemeren. Ze draagt een zwarte lange jas, de kraag afgesloten met een zilveren broche. Daaronder een broek met geometrische vormen in zwart, wit en bruine tinten. Het gesprek begon ze in haar eentje en zette ze met mij voort, maar het was alsof ze nog steeds alleen tegen zichzelf praatte, haar gedachten hardop uitsprak. Ze keek niet op of om. Eerder in de verte. Ze vindt het verstandiger niet die met een hogere hak te nemen. Ook al wil ze het zo graag. Ze heeft zoveel schoenen met hoge hakken thuis staan, maar ze kan er niet meer op lopen. Bang om te struikelen nu ze ouder is geworden. Ze vertelt over de straat waarin ze woont: ‘Dan heb je een duur huis, maar buiten is het niet te doen met de boomstronken die de straattegels omhoogduwen.’ Ik sta er passief bij, kijk en luister. Mijn adviezen lijken niet tot haar door te dringen. De bruine kleur van die met de hogere hak vindt ze eigenlijk mooier. Die is warmer. Maar die met de lagere hak is verstandiger. Na een zeer lange tijd, steeds van schoenen wisselend, neemt ze eindelijk een besluit. Het worden die met een lagere hak. Als we bij de kassa aankomen, vertelt ze dat haar man nog maar vijftien maanden geleden overleden is. Ze heeft het er zwaar mee. Ook haar zoon is ze verloren. Al eerder. Op zijn eenenvijftigste begaf zijn hart het. Hij worstelde met zijn gewicht. Was dan weer dik, dan weer dun. Ze is nu alleen. Voordat haar man overleed zei hij haar vooral veel leuke dingen te doen. Maar ze vindt dat moeilijk. Ze gaat met vriendinnen naar het concertgebouw. Sinds kort heeft ze een man leren kennen die ook zijn vrouw heeft verloren. Ze gaan samen op stap. Ze wil alleen vrienden blijven. Meer wil ze niet. Ze valt stil. Door de zware verliezen in haar leven lijkt er een grens weggevallen te zijn tussen haar binnen- en buitenwereld. Ze uit zich zonder na te denken over wat haar omgeving daarvan vindt. Dat maakt haar kwetsbaar. Ik leg kort mijn hand op haar schouder en geef haar dan de tas met schoenen mee.

*

De Indiase man met zijn vrouw. Hij blijft zitten en plaatst zijn voet met schoen naar voren. Zij bukt en maakt zijn veters los. Hij kijkt toe. Ook bij mij gaat hij zo te werk. Hij draagt een blauwe wollen vest, een blauwe wollen broek en staat op blauwe sokken bij de bank. Voor een volwassen man heeft hij een kindermaat. De slippers die hij aangereikt krijgt zijn damesslippers, ook in de kleur blauw. Hij trekt ze zonder sokken aan. Leer op een donkere naakte huid.

*

Bij binnenkomst treedt de muffe geur me al tegemoet. Het is een geur die nog lang in de winkel zal blijven rondhangen. Het hoort bij de man met de snor zoals walrussen die hebben: grof borstelig en ver over zijn bovenlip hangend. De man met de snor neemt weinig ruimte in. Schuifelend op zijn benen en voorzichtig rondkijkend loopt hij verder de winkel in. Zijn rug kromt zich een beetje. Hij draagt een grijs sportief dun jackje met een zilveren rits die tot aan zijn nek dicht zit. Daaronder een lichtblauwe spijkerbroek en grijze suède gympen met gele strepen aan zijn voeten. De gympen hebben hun beste tijd gehad. Het leer ervan is versleten en dun geworden. De afdruk van zijn voeten is erin zichtbaar. De man met de snor kijkt eerst bij de uitverkoop maar kiest uiteindelijk weer voor dezelfde gympen die zonder korting zijn. Dit keer in de kleur blauw met witte strepen. Hij noemt de maat en als ik met het nieuwe paar aan kom lopen neemt hij plaats op een stoel. Bij het uittrekken van zijn oude gympen, waarbij ik hem help, komt er vuil mee. Onbestemde samengeklonterde stukjes papier met stof vallen op de grond. Als hij zijn oude gympen naast zich neerzet zie ik de binnenkant ervan. Die is niet best. De achterkant is helemaal verbogen en uitgerekt. Al die tijd moet hij met zijn hielen over de rand hebben gelopen. De maat is niet goed. Ik attendeer hem erop, maar nee, hij wil geen grotere maat. Hij vindt het prima zo. Risico’s neemt hij liever niet. Vanuit zijn stoel kijkt hij naar zijn nieuwe gympen. De kleur bevalt hem. ‘Het moest niet gaan regenen zoals laatst toen ik in Spanje was,’ zegt hij met een zachte stem. Tijdens een storm hielden zijn schoenen het niet en raakten doorweekt. Terwijl hij spreekt richt hij traag zijn hoofd op. Felblauwe ogen die uitpuilen staren me aan. Rauw en verwilderd is zijn blik. Als een bliksemschicht word ik erdoor getroffen. Snel kijk ik weg en richt me weer op zijn gympen. Hij houdt ze gelijk maar aan. De oude kan ik in de doos doen. We lopen naar de kassa. Bij het afrekenen kijk ik naar zijn handen. Hij heeft slanke vingers waarvan de nagels iets te lang en geel van kleur zijn. Dan overhandig ik hem de tas waarin zijn oude gympen zitten en loopt hij richting de deur. Nu krijg ik de achterkant van zijn lichaam te zien. De grijze dunne jack met daaronder zijn spijkerbroek. De broek slobbert rond zijn kont. Aan zijn voeten prijken zijn nieuwe gympen. Het is alsof ze hem energie hebben gegeven want kordaat stapt hij naar buiten, de wereld tegemoet, de muffe geur met zich meenemend.

*

De voet gaat in de schoen. De sok die bij de hiel opbolt. De sok die vuil en vaal is. Het duwen en persen om de voet in de schoen te krijgen.

*

Pantoffels moet hij hebben. De zool mag niet van rubber zijn. Dat maakt teveel lawaai. De buren klagen. Een man in een vale spijkerbroek, gekreukelde blouse en jas staat tegenover mij. In zijn hand heeft hij een boodschappentas. Zijn haar zit door de war, er is geen kam doorheen gegaan lijkt het wel. Wallen onder zijn ogen, tanden die opvallen. Met name eentje die er wat uitsteekt. Geel gekleurd wijkt het in het rijtje af. Als hij praat lijkt hij zijn lip rondom deze tand extra op te tillen. Zijn ogen, neus en mond komen in een scheve hoek te staan. We lopen richting de pantoffels. ‘Ik heb pantoffels van vijf euro gehad’, zegt hij. ‘Onze prijs, negenennegentig euro vijfennegentig’. ‘Zijn de pantoffels zo duur geworden?’ Zijn stem schiet omhoog. ‘Het is niet goedkoop maar het is van hertenleer en nagenoeg handgemaakt’, zeg ik.  Ik laat hem een pantoffel zien met een zool van suède. ‘Voldoet dat qua geluid?’ vraag ik. Hij neemt de pantoffel in zijn hand en bekijkt hem. ‘Ik twijfel over de prijs. Mijn schoenen zijn net zo duur’, zegt hij. We kijken naar zijn zwarte veterschoenen die hij aan heeft. Degelijke stappers zijn het, het leer ervan is uitgedroogd en kan wel wat vet gebruiken. Hij noemt een voor mij onbekend merk. Dan trekt hij één schoen uit en slaat met de zool op een richeltje in onze winkel dat daar niet voor bestemd is. Met zijn hand vormt hij een schelp rondom zijn oor en luistert aandachtig naar het geluid. Dezelfde handeling verricht hij met onze pantoffel. ‘Maakt het meer of minder geluid dan mijn schoen?’, vraagt hij me. ‘Ik kan natuurlijk ook de zool van mijn schoenen eraf halen. Ik heb er toch een aantal van dezelfde in huis liggen. Of ik kan de vloer met rubber bekleden dan hebben ze er ook geen last van. Hij wikt en weegt. ‘Laat ik toch maar de pantoffels proberen, maat zesenveertig. Met de juiste maat uit het magazijn kom ik weer bij hem. Voor zijn voeten leg ik de pantoffels neer. Staand schuift hij erin. Halverwege blijven zijn voeten haken. De pantoffels zijn te smal . Zijn tenen komen niet tot aan de voorkant. Met kracht probeer ik zijn voeten verder in de pantoffels te duwen. Zonder resultaat. ‘Breder hebben we niet’, zeg ik. Dan bedenk ik me dat hij ook pantoffelsokken aan kan doen. Zo zou het probleem van de breedte ermee opgelost zijn. Ik pak een paar en toon ze hem. ‘Ook nog een stuk goedkoper en ze maken geen geluid’, zeg ik. ‘Kun je daar ook mee de douche in? Ik moet er wel mee de douche in kunnen.’ Die vraag had ik niet aan zien komen. ‘Nee, je kunt er niet mee de douche in. Ook niet met de vorige pantoffels. Het zou zonde zijn.’ De prijs is vast voor hem het grootste probleem denk ik bij mezelf en geef de moed op. Deze man kan ik niet voor me winnen. Zijn gestalte vervaagt en nauwelijks hoor ik nog de laatste woorden die hij uitspreekt voordat hij vertrekt. ‘Ik twijfel, ik heb bedenktijd nodig. Ik kom een andere keer terug.’  

© Monica Overdijk